De Chinezen mogen dan wel het papiergeld uitgevonden hebben, wat de huidige implementatie betreft kan er toch nog wat gesleuteld worden.
De Chinese munt heet 'Ren min bi', of geld van het volk. In dagelijks gebruik heet het 'yuan' (元) en in de spreektaal heet het 'kuai' oftewel 'stuk'. Een 'stuk' bestaat uit tien 'haren' (mao).
Het grootste briefje in gebruik is het briefje van honderd kuai, wat momenteel een dikke tien euro waard is. Als je dus met iets grotere bedragen te maken hebt dan zeul je al gouw een hele stapel briefjes mee. Het is om deze reden, en omwille van het vele namaakgeld, dat nagenoeg ieder winkeltje op elke straathoek zijn eigen geld-test-en-tel-machine bezit.
Het kleinste briefje in gebruik is dat van één mao, ruwweg een eurocent waard. Trots op hun uitvinding als ze zijn zijn de Chinezen afkerig wanneer het op munten aankomt. Er zijn weliswaar muntstukken, een kuai, vijf mao en één mao, maar voor elk van deze is er ook een overeenkomstig briefje dat de voorkeur geniet.
Wanneer men de straat op gaat doet men er goed aan na te gaan of men genoeg "kleingeld" op zak heeft, briefjes van minder dan honderd kuai. Zo niet kan men beter bij de dichtstbijzijnde bank of bevriende winkelier om wisselgeld verzoeken om grof gezichtsverlies later te voorkomen.
Mocht men toch in een situatie verzeilen waar men genoodzaakt is het roze honderd-briefje te gebruiken ga dan niet oeverloos te werk. Kijk de uitbater aan met een blik van schaamte en onderdanigheid en excuseer jezelf voor het gebrek aan kleingeld in je bezit. (Men zegge dan : bu hao yisi, meiyou lingqian). De tegenspreker zal diep zuchten, bevestiging vragen voor het feit dat je toch zeker geen kleingeld bezit, vervolgens aan de collega's meedelen welke belachelijk kleine schuld je met, oh god, een briefje van honderd wenst in te lossen, en vervolgens traag maar zeker het wisselgeld tevoorschijn halen.
Als het een werkelijk klein bedrag betreft, minder dan tien stukken, dan kan zelfs bovenstaande procedure soms geen soelaas brengen. De uitbater zal dan vlakaf weigeren je centen te accepteren. Aan jou om de buurt uit te kammen op zoek naar iemand die je uit de penarie kan helpen. Ondertussen gevolgd door de blik van uitbater en klanten, deze laatsten lichtelijk geamuseerd bij het zien van zulk buitenproportioneel gezichtsverlies bij de "buitenlandse vriend".
Gebrek aan kleingeld: internationaal probleem
Geweldig geschreven, Arne!
Ook in Bolivia was het gebrek aan kleingeld soms schrijnend en eigenlijk echt onbegrijpelijk. Vooral op de markt kon je pas terecht met grote bankjes in de late namiddag, als de marktkramers (vooral -kraamsters) al genoeg klanten met muntjes hadden gehad. Anders was het onvermijdelijk overal gaan schooien om je briefje gewisseld te krijgen.
Add your comment